U bevindt zich op: Home Aandoeningen Erytrocytenimmunisatie Screening in het kort

Screening in het kort

Het bevolkingsonderzoek PSIE heeft als doel ernstige gevolgen van hemolytische ziekte van de foetus en/of pasgeborene (HZFP) te voorkomen. Hiervoor wordt het bloed van zwangere vrouwen gescreend op ABO-bloedgroep, RhD-antigeen, Rhc-antigeen en IEA. Afhankelijk van de uitslag vinden vervolgacties plaats.


Rhesus(D)-negatief

Het laboratorium bepaalt de ABO-bloedgroep en aanwezigheid van het RhD-antigeen en stuurt de schriftelijke uitslag aan de VKZ en RIVM-DVP.

De VKZ beoordeelt de uitslagen op volledigheid en afwijkingen.

Bij RhD-negatieve zwangeren (het RhD-antigeen is niet aanwezig) wordt bij een zwangerschapsduur van 27 weken opnieuw bloed afgenomen. Sanquin Diagnostiek onderzoekt dit bloed op antistoffen tegen het RhD-antigeen, de zogenaamde RhD irregulaire erytrocytenantistoffen (RhD-IEA), en op antistoffen tegen andere antigenen, de zogenaamde non-RhD-IEA. Ook bepaalt Sanquin Diagnostiek door middel van een foetale RhD-typering de RhD-bloedgroep van het kind aan de hand van erfelijk foetaal materiaal dat circuleert in het bloed van de moeder.

Als het kind RhD-positief is, krijgt de vrouw zowel in week 30 (zwangerschapsduur vanaf week 30+0 tot uiterlijk 31+6) als binnen 48 uur na de bevalling anti-RhD-immunoglobuline (anti-RhD-Ig) toegediend door de VKZ.

Het lokale laboratorium bepaalt na de geboorte van het kind met spoed de Rhesus (D)-bloedgroep in het navelstrengbloed:

  1. indien de uitslag van de foetale RhD-typering ontbreekt;
  2. bij de geboorte van meerlingen met een positieve foetale RhD-typering;
  3. in bepaalde uitzonderingssituaties zoals bijvoorbeeld bij zeldzaam voorkomende genetische variatie op geleide van Sanquin Diagnostiek.

Kritische stappen in het zorgproces zijn de toediening van anti-RhD-Ig tijdens de zwangerschap en na de bevalling. RIVM-DVP bewaakt dat de VKZ deze stappen tijdig neemt en zorgt ervoor dat anti-RhD-Ig beschikbaar is.

Rhesus (c)-negatief

Het laboratorium bepaalt naast de ABO-bloedgroep en de aanwezigheid van het RhD-antigeen, ook de aanwezigheid van het Rhc-antigeen. Het laboratorium stuurt de schriftelijke uitslag aan de VKZ en aan het RIVM-DVP.

Bij Rhc-negatieve zwangeren (het Rhc-antigeen is niet aanwezig) wordt bij een zwangerschapsduur van 27 weken opnieuw bloed afgenomen. Sanquin Diagnostiek onderzoekt dit bloed op antistoffen tegen het Rhc-antigeen, de zogenaamde Rhc irregulaire erytrocytenantistoffen (Rhc-IEA) en op antistoffen tegen andere antigenen.

De VKZ beoordeelt de uitslagen op volledigheid en afwijkingen en volgt eventuele aanwijzingen van Sanquin Diagnostiek voor vervolgonderzoek op. Zie verder onder IEA.

IEA

Het lokale laboratorium screent bij het eerste bloedonderzoek (bij voorkeur voor een zwangerschapsduur van 13 weken) het bloed van alle zwangeren op de aanwezigheid van irregulaire erytrocyten antistoffen (IEA). Blijken IEA aanwezig te zijn, dan stuurt het laboratorium het bloed door naar Sanquin Diagnostiek of BIBO of vraagt het de VKZ een nieuw bloedmonster direct naar Sanquin Diagnostiek of BIBO te sturen. Ongeacht de aanwezigheid van IEA stuurt het lokale laboratorium zijn uitslagen aan VKZ en RIVM-DVP.
Het bloed van alle RhD- en Rhc-negatieve zwangeren dat is afgenomen bij een zwangerschapsduur van 27 weken gaat voor het onderzoek op IEA naar Sanquin Diagnostiek.

Sanquin Diagnostiek of BIBO bepaalt het klinische belang van de aangetoonde antistoffen door de specificiteit, titer en immunoglobuline-klasse van de IEA vast te stellen en voert zo nodig de ADCC-test uit. Blijkt voor een juiste interpretatie bloed van de biologische vader nodig, dan verzoekt Sanquin Diagnostiek of BIBO de VKZ dit af te (laten) nemen en bepaalt vervolgens in het bloed van de biologische vader het antigeen waartegen de antistoffen van de zwangere zijn gericht. Sanquin Diagnostiek of BIBO rondt het onderzoek af met het versturen van een schriftelijk advies aan de VKZ met eventueel een transfusiekaart voor de zwangere, en het aanmelden van de antistoffen in TRIX. In spoedsituaties meldt Sanquin Diagnostiek of BIBO de uitslagen ook telefonisch aan de VKZ. Sanquin Diagnostiek of BIBO meldt uitslagen schriftelijk aan RIVM-DVP.

De VKZ beoordeelt de uitslagen op volledigheid en afwijkingen.

Is er sprake van IEA, dan volgt de VKZ het advies van Sanquin Diagnostiek of BIBO zover als mogelijk (eventueel vervolgonderzoek wordt niet vergoed in het kader van de PSIE). In sommige gevallen betekent dit dat de VKZ de zwangere zal doorverwijzen naar een gynaecoloog.

Voor meer informatie over diagnostiek, zie het Vademecum Diagnostisch onderzoek, in te zien op www.sanquin.nl/.

Zoeken:

Service