U bevindt zich op: Home Aandoeningen Hepatitis B

Hepatitis B

Met de screening op de infectieziekte hepatitis B wordt een eventuele besmetting van de moeder gesignaleerd. Hierdoor kan vroegtijdig actie worden ondernomen om de gevolgen van besmetting van het kind te voorkomen of te minimaliseren.

Lees hier verder over de volgende onderwerpen:


Wat is het

Bij langer durende aanwezigheid (meer dan zes maanden) van HBV, is er sprake van een actieve chronische infectie. Het HBV nestelt zich na binnenkomst in levercellen. De immunologische reactie van de gastheer bepaalt het klinische beeld en hangt sterk af van de leeftijd. Een acute hepatitis B-infectie kan heel ernstig verlopen: van elke 1000 patiënten overlijdt er een op korte termijn. Als het afweersysteem HBV tolereert, zoals vaak bij kinderen gebeurt, kan een asymptomatisch dragerschap ontstaan en blijft de ziekte onopgemerkt. Oudere kinderen en volwassenen hebben bij een acute infectie vaker verschijnselen zoals hangerigheid, koorts, uitslag of gewrichtsklachten, geelzucht en leverfunctiestoornissen.

Langer durende aanwezigheid (meer dan zes maanden) van HBV kan leiden tot chronische ontsteking. Bij kinderen die tijdens of na de geboorte besmet raken, is de kans groot dat hepatitis B een chronische ziekte wordt: 85-90% krijgt chronische hepatitis B. Van patiënten met chronische actieve hepatitis B (gekenmerkt door actieve virusreplicatie en leverontsteking) krijgt 15 tot 25% na kortere of langere tijd (in het algemeen pas na tientallen jaren) ernstige complicaties zoals levercirrose of levercelcarcinoom. Bovendien kan iemand met een chronische infectie anderen besmetten zonder dat zelf te weten. Een actieve chronische hepatitis B virusinfectie kan goed behandeld worden met antivirale therapie.

naar boven

Hoe vaak komt het voor

Het aantal zwangeren met een positieve uitslag op de hepatitis B-screening daalde van 714 in 2006 naar 605 in 2008. De prevalentie daalde van 0,40 (in 2006) naar 0,33% (in 2008) naar 0,30% (in 2013) (Op de Coul, 2010, van der Ploeg et al., 2015). Naar schatting worden door de screening
jaarlijks in Nederland tussen de 50 en 75 HBV-infecties bij pasgeborenen voorkomen (Op de Coul et al., 2010). Tussen 2003 en 2007 liepen 13 kinderen (0,6%) van een HBsAg-positieve moeder een hepatitis B-virusinfectie op. Alle kinderen waren geïmmuniseerd met HBIg en HBV-vaccin. Onder gevaccineerde baby’s was het hebben van een moeder van Chinese herkomst die HBeAg-positief was een risicofactor voor perinatale HBV-infectie (Hahné et al., Vaccine 2012).

naar boven

Hoe vindt besmetting plaats

Het hepatitis B-virus is erg besmettelijk en kan voorkomen in lichaamsvocht, zoals bloed, speeksel, vaginaal vocht, sperma en in ontlasting en transplantatieweefsel. Het virus is resistent tegen uitdroging, verhitting en ontsmettingsmiddelen. Het besmettingsgevaar blijft dus lang bestaan.
Wereldwijd is verticale overdracht van het virus door geïnfecteerde zwangeren op hun kinderen de belangrijkste oorzaak van transmissie van HBV, met name tijdens de bevalling en in mindere mate intra-uterien of tijdens de verzorging: 15% van de kinderen van HBsAg-positieve zwangeren raakt besmet en 70-90% van de kinderen als bij de zwangere ook HBeAg aanwezig is. Preventie van verticale transmissie is daarom een belangrijk middel in de bestrijding van HBV-infectie.
Overdracht van HBV kan ook binnen een gezin gebeuren. Deze overdracht wordt vaak onderschat.

naar boven

Aantonen

De diagnostiek in het kader van de prenatale screening bestaat in eerste instantie uit het meten van het hepatitis B surface-antigeen (HBsAg: marker voor infectie en besmettelijkheid) in het serum. Bij een positieve uitslag wordt op hetzelfde monster een confirmatietest uitgevoerd. Is deze positief dan worden de volgende analyses verricht: bepaling van anti-HBc (marker voor doorgemaakte infectie, zegt niets over genezing), HBeAg (marker voor hoge besmettelijkheid) en anti-HBe (marker voor lage besmettelijkheid).

Definitieve conclusie: de uitslag voor hepatitis B is ‘positief’ indien na de screeningstest op HBsAg ook de confirmatietest positief is.

Voor meer informatie over diagnostiek zie LCI-richtlijn Hepatitis B en de richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Maag-Darm-Leverartsen. Zie de rechter navigatiekolom voor een verwijzing naar de richtlijnen.

naar boven

Behandeling van de zwangere

De ziekte kan zonder verschijnselen verlopen, waardoor zwangeren pas bij de screening ontdekken dat zij HBsAg-positief zijn. Is er sprake van een actieve hepatitis B, dan moet de zwangere behandeld worden.
Om de kans op besmetting van het kind te verlagen, worden zwangeren met een hoge 'viral load' (HBV-DNA >1,0 x 109 kopieën/ml of >2,0 x 108 IE/ml) in het derde trimester behandeld. Dit verbetert ook de conditie van de zwangere. Voor de behandeling moet de zwangere worden doorgestuurd naar een specialist (MDL-arts, internist, infectioloog). Als behandeling ingezet gaat worden, overlegt de verloskundige met de gynaecoloog over overdracht van de zorgverlening.

Meer informatie over de behandeling is te vinden in de LCI-richtlijn Hepatitis B en de richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Maag-Darm-Leverartsen. Zie de kolom 'meer over infectieziekten' voor een verwijzing naar de richtlijnen.

naar boven

Behandeling van het kind

Risico op besmetting wordt verlaagd door immunisatie en vaccinatie van pasgeborenen. De VKZ zorgt voor toediening van hepatitis B-immunoglobuline (HBIg) binnen 2 uur na de geboorte en de eerste toediening van hepatitis B-vaccin (HB-vaccin) binnen 48 uur. Het HB-vaccin wordt bij voorkeur gelijktijdig met het HBIg toegediend, maar wel in het andere been. Omdat bij kinderen van hepatitis B-draagsters sprake is van post-expositieprofylaxe en niet van preventie als zodanig, is het extra belangrijk bij toediening van HBIg en HB-vaccin de aangegeven tijden aan te houden.
De vaccinatie met HB-vaccin valt formeel buiten het bevolkingsonderzoek PSIE en maakt deel uit van het RVP. Consultatiebureaumedewerkers van de jeugdgezondheidszorg (JGZ) verzorgen in het kader van het RVP de vaccinaties op de leeftijd van 6 weken, 3, 4 en 11 maanden. De arts van het consultatiebureau verwijst het kind een maand na de laatste vaccinatie naar de huisarts voor serologisch onderzoek. Wanneer het kind HBsAg-negatief is en een anti-HBs titer heeft >10 IE/l, is het niet geïnfecteerd en voldoende beschermd.
Indien de titer te laag is (<10 IE/l) dient de huisarts de arts van het consultatiebureau hierover te informeren. Het kind krijgt dan nog drie vervolgvaccinaties op het consultatiebureau gevolgd door een serologisch onderzoek. Indien het kind toch drager (HBsAg-positief) is geworden, wordt het kind verwezen naar de kinderarts.

Voor meer informatie zie het Rijksvaccinatieprogramma (verwijzing naar RVP in kolom 'meer over infectieziekten').

naar boven

Borstvoeding

Bij een HBsAg-positieve moeder is de concentratie HBV in moedermelk dusdanig laag, dat transmissie niet optreedt. Via tepelkloven is transmissie wel mogelijk, maar bij gevaccineerde kinderen is de kans op besmetting via borstvoeding verwaarloosbaar klein. Borstvoeding wordt ook bij hepatitis B-draagsters aanbevolen, tenzij geen HBIg is toegediend.

Voor meer informatie zie de LCI-richtlijn Hepatitis B en de richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Maag-Darm-Leverartsen. Zie de kolom 'meer over infectieziekten' voor verwijzing naar de richtlijnen.

naar boven

Meldingsplicht

Voor hepatitis B geldt een meldingsplicht (groep B2). De melding aan de GGD dient plaats te vinden als er sprake is van een infectie met het hepatitis B-virus, waarbij HBsAg is aangetoond en bevestigd. De melding is niet anoniem en dient te gebeuren door zowel de arts (verloskundige, gynaecoloog) als het laboratorium binnen 24 uur na de definitieve diagnose. Voor meer informatie zie ook www.rivm.nl/meldingsplicht.

naar boven

Zoeken:

Service