U bevindt zich op: Home Aandoeningen Hiv

Hiv

Met de screening op hiv wordt een eventuele besmetting van de moeder gesignaleerd. Hierdoor kan vroegtijdig actie worden ondernomen om de gevolgen van besmetting van het kind te voorkomen of te minimaliseren.

Lees hier verder over de volgende onderwerpen:

Wat is het?

Infectie met het humaan immunodeficiëntie virus (hiv) leidt onbehandeld op kortere of langere termijn bijna altijd tot progressieve, levensbedreigende immunosuppressie. Nadat de patiënt besmet is geraakt, kan gedurende enige jaren sprake zijn van een klinisch latente situatie, waarin wel intensieve virusreplicatie en immuunrespons plaatsvindt. Van de mensen die besmet zijn met hiv, ontwikkelt 50-70% een acuut retroviraal syndroom, met als symptomen: algehele malaise, hoofdpijn, koorts, lichtschuwheid, lymfadenopathie, moeheid, pijn achter de ogen, spierpijn, zere keel, perifere neuropathie en maculopapulaire huiduitslag. De klachten zijn gewoonlijk mild en verdwijnen vanzelf weer. Vervolgens blijft de met hiv geïnfecteerde persoon meestal klachtenvrij totdat zich hiv/aids ontwikkelt. Soms blijven klachten bestaan als moeheid, lymfadenopathie, diarree, orofaryngeale candidiasis, en nachtzweten.

Een hiv-infectie verloopt bij kinderen over het algemeen sneller en heftiger dan bij volwassenen. Voor de overlevingsduur is het ongunstig als kinderen vroeg (in utero) geïnfecteerd raken. In het algemeen geldt dat hoe vroeger het kind symptomen van hiv-infectie krijgt, hoe slechter de prognose. Meer dan 80% van de onbehandelde kinderen ontwikkelt hiv-gerelateerde symptomen binnen twaalf maanden. Een kwart van de kinderen heeft binnen 1 jaar hiv/aids, terwijl anderen na 8 tot 10 jaar nog geen klachten hebben.

Zuigelingen presenteren zich vaak met een ernstig verlopende pneumonie, diarree of groei- of ontwikkelingsachterstand. Een tweede groep kinderen vertoont pas ziekteverschijnselen na het eerste levensjaar of in de kleuterleeftijd. Veel voorkomende beelden zijn pneumonie, lymfadenopathie, recidiverende bacteriële infecties, persisterende schimmelinfecties of bijvoorbeeld leer- en gedragsmoeilijkheden.

Een onbehandelde hiv-besmetting leidt vrijwel altijd tot de diagnose hiv/aids waaraan de patiënt uiteindelijk zal overlijden. De incubatietijd varieert tussen minder dan 1 jaar tot meer dan 15 jaar. Door het tekortschieten van het immuunapparaat ontstaat een scala aan ziektebeelden. Met de introductie van antiretrovirale therapie in de vorm van combinatietherapie (Highly Active AntiRetroviral Therapy, HAART) is het klinisch verloop en de overleving van hiv/aids aanmerkelijk verbeterd.

naar boven

Hoe vaak komt het voor 

Tussen 2006 en 2009 werden jaarlijks tussen de 70 en 90 zwangeren positief getest voor hiv, hetgeen overeenkomt met een prevalentie van 0,05% per jaar (van der Ploeg et al, 2010). In 2013 testte 0,06% van de zwangeren (99 van de 176.000) positief op HIV (van der Ploeg, 2015).. Bij 40% van de vrouwen werd de diagnose hiv voor het eerst tijdens de zwangerschap gesteld. Het aantal kinderen dat met hiv werd geboren daalde van 9 in 2002 naar 0 in 2008. Na de invoering van de screening in 2004 zijn nog 4 kinderen met hiv geboren. Twee van de moeders waren zwanger voordat de screening werd ingevoerd, 1 moeder is waarschijnlijk na de screening besmet, de achtergrondgegevens van de 4e moeder waren onbekend. Alle kinderen hadden tenminste 1 buitenlandse ouder. Er zijn geen gevallen bekend van moeder-op-kind-transmissie bij hiv-geïnfecteerde vrouwen die met hiv-medicatie zijn behandeld. De auteurs schatten dat door de PSIE-screening jaarlijks in Nederland 5-10 hiv-infecties bij pasgeborenen worden voorkomen.

naar boven

Hoe vindt besmetting plaats

Vrijwel alle hiv-geïnfecteerde zwangeren zijn geïnfecteerd door heteroseksuele geslachtsgemeenschap. Andere besmettingsbronnen zijn onder andere intraveneus druggebruik en bloedtransfusie. Verticale transmissie (van moeder op kind) kan plaatsvinden in utero, tijdens de partus en door borstvoeding. Transmissie wordt beïnvloed door de 'viral load' van de moeder. De kans op besmetting is het grootst in het derde trimester van de zwangerschap en tijdens de bevalling in een populatie waarin geen borstvoeding wordt gegeven.

De kans op overdracht is 13 - 42% als de moeder niet behandeld wordt met antivirale middelen. Door toepassing van antiretrovirale therapie voor zwangere en pasgeborene, al of niet gecombineerd met een electieve sectio caesarea, het vermijden van invasieve procedures tijdens zwangerschap en bevalling, en het afzien van borstvoeding, kan de overdracht van hiv van moeder naar kind tegenwoordig beperkt worden tot < 1 á 2%.

Bij afwezigheid van antiretrovirale middelen (bij onbehandelde vrouwen) geeft borstvoeding een additioneel risico op transmissie van 14% ten opzichte van het risico op perinatale overdracht.

Voor meer informatie zie de richtlijnen van de NVHB en de NVK (verwijzing in navigatiekolom rechts).

naar boven

Aantonen

De standaardmethode voor diagnostiek is de bepaling van hiv-antistoffen of een combinatie van hiv-antistoffen en hivV-p24-antigeen door middel van een ELISA. Voor de screening van zwangeren wordt echter alléén uitgegaan van de screening op HIV-antistoffen. Bij een positieve of onduidelijke screeningsuitslag wordt op hetzelfde monster4 een confirmatie uitgevoerd met een hiv-immunoblot.

Indien deze uitslag positief is, is de diagnose hiv-1- en/of hiv-2-infectie bevestigd. Bij een negatieve uitslag van de immunoblot is de conclusie negatief. Indien als screeningstest een combinatietest is gebruikt en de immunoblot is negatief, dan dient als vanzelfsprekend de screeningstest positief te worden geïnterpreteerd en uitgeslagen. Deze mogelijkheid wordt door deskundigen binnen de PSIE programmacommissie als verwaarloosbaar klein beschouwd. De hiv-p24-antigeen bepaling is om deze reden niet opgenomen in het screeningsprogramma. De routinebepaling met aanvullende bevestiging kost één tot twee weken. Als ondanks een negatieve uitkomst toch een sterke verdenking op infectie bestaat, kan de test na verloop van enkele weken worden herhaald.

Definitieve conclusie: de uitslag voor hiv is ‘positief’ indien een positieve screeningstest wordt bevestigd door een positieve hiv-immunoblot.

In uitzonderingsgevallen, bijvoorbeeld bij een zeer vroege infectie, kan sprake zijn van een zogeheten ‘niet te classificeren’ uitslag. In zulke gevallen kan het laboratorium nader onderzoek uitvoeren, om uit te sluiten dat het gaat om een aspecifieke reactie in de testen. Bij dit nader onderzoek wordt onder meer ook de hoeveelheid virus (RNA) in het bloed bepaald.

Voor meer informatie over diagnostiek zie de richtlijn van de NVHB en de 'LCI-Richtlijn hiv infectie' (verwijzing in navigatiekolom rechts).

naar boven

Behandeling van de zwangere

Preventie van verticale transmissie bestaat uit medicamenteuze behandeling van de zwangere en uit het vermijden van contact tussen materiaal bloed en bloed/slijmvliezen van het kind. Invasieve diagnostiek tijdens de zwangerschap en de bevalling dient zoveel als mogelijk te worden vermeden om de blootstelling van het kind aan hiv te verminderen. Contact vermijden tussen maternaal bloed en bloed/slijmvliezen van het kind.

Hiv-geïnfecteerde zwangeren moeten preventief behandeld worden met antiretrovirale therapie. Bij asymptomatisch dragerschap start de antiretrovirale therapie rond week 20 (-24) van de zwangerschap. Voor meer informatie zie de richtlijnen van de NVHB en de NVK (verwijzing in navigatiekolom rechts).

De specialist in het hiv-behandelcentrum beoordeelt wanneer moeder en kind naar huis kunnen en welke zorg noodzakelijk is. Vaak zijn er problemen rond medicatieverstrekking zoals analfabetisme, geheimhouding (ook ten aanzien van zorgverleners) en is er een onvoldoende sociaal netwerk.

naar boven

Behandeling van het kind

Een antiretrovirale behandeling van de zwangere kan leiden tot foetale groeivertraging en vroeg-geboorte van het kind. De langetermijneffecten van blootstelling aan antiretrovirale middelen in utero zijn nog onbekend. Na de geboorte wordt de pasgeborene eveneens preventief behandeld met anti-hiv-medicatie (antiretrovirale postexpositie profylaxe (PEP)).

Voor meer informatie zie de richtlijnen van de NVHB en de NVK (verwijzing in navigatiekolom rechts).

naar boven

Borstvoeding

Borstvoeding is een belangrijke transmissieroute. Bij afwezigheid van antiretrovirale middelen (bij onbehandelde vrouwen) geeft borstvoeding een additioneel risico op transmissie van 14% ten opzichte van het risico op perinatale overdracht. Vrouwen met een hiv-infectie krijgen het advies geen borstvoeding te geven.

naar boven

Meldingsplicht

Voor hiv geldt geen meldingsplicht.

naar boven

Zoeken:

Service