U bevindt zich op: Home Over PSIE

Over PSIE

De PSIE heeft als doel hepatitis B, HIV, congenitale syfilis en hemolytische ziekte van de foetus en de pasgeborene te voorkomen.


Wat houdt screening in?

Onder screening verstaat de Gezondheidsraad (2001): ’Onderzoek ter systematische vroege opsporing (of uitsluiting) van een ziekte, van de aanleg daarvoor of van dragerschap van een aanleg die bij het nageslacht tot ziekte kan leiden.’

Er is sprake van screening wanneer het onderzoek:

  • zich richt op een vooraf omschreven groep mensen die zelf (nog) geen aanleiding hebben om wegens klachten, symptomen of ongerustheid geneeskundige hulp te zoeken;
  • plaatsvindt op initiatief (‘aanbod’) van het zorgsysteem, niet naar aanleiding van een zorgvraag;
  • een systematisch karakter heeft: alle leden van de doelgroep worden er in beginsel voor uitgenodigd, of nadrukkelijk op de hoogte gebracht van de mogelijkheid er aan deel te nemen.

Geen enkele screeningstest is 100% perfect. Er zullen altijd personen zijn die ten onrechte geselecteerd worden (‘fout-positief’), dit blijkt dan uit nadere diagnostiek. Ook zullen er altijd personen zijn die ten onrechte niet geselecteerd worden (‘fout-negatief’), wat meestal pas later blijkt, als de ziekte of aandoening zich openbaart met klinische verschijnselen. De meeste screeningsprogramma’s zijn erop gericht om zo veel mogelijk potentieel zieke personen te selecteren.

naar boven

Wat houdt het bevolkingsonderzoek PSIE in?

De Prenatale Screening Infectieziekten en Erytrocytenimmunisatie (PSIE) is een landelijk bevolkingsonderzoek waarbij een zwangere vrouw in het eerste verloskundig consult bloedonderzoek aangeboden krijgt. Het bloed wordt gescreend op hepatitis B, syfilis (lues), HIV, ABO-bloedgroep, Rhesus (D)-antigeen (RhD-antigeen), irregulaire erytrocyten antistoffen (IEA). Per 1 juli 2011 zijn toegevoegd: (1) de bepaling van het Rhesus (c)-antigeen (Rhc-antigeen) in het eerste bloedonderzoek, gevolgd door screening op laat gevormde IEA bij Rhc-negatieve zwangeren in week 27 (zwangerschapsduur) en (2) de foetale Rhesus (D)-typering in week 27 (zwangerschapsduur) bij RhD-negatieve zwangeren. Na de eerste bloedafname die bij voorkeur plaatsvindt vóór een zwangerschapsduur van 13 weken, kunnen er binnen het bevolkingsonderzoek verschillende vervolgacties plaatsvinden als de resultaten daartoe aanleiding geven. 

In overleg met betrokken beroepsgroepen is door RIVM/CvB besloten dat het bevolkingsonderzoek inhoudt: de opkomst (deelname aan de screening), de screening (het onderzoek) en de verwijzing naar de curatieve zorg bij afwijkende screeningsuitslagen.
De behandeling vindt plaats binnen de curatieve zorg en valt theoretisch gezien daardoor niet onder het domein van het bevolkingsonderzoek. Dit betekent niet dat het onbelangrijk is om te weten wat het uiteindelijke resultaat van de screening is voor de zwangere en haar kind. Het is de verantwoordelijkheid van het RIVM/CvB de gezondheidswinst of uitkomst van de screening te evalueren.

naar boven

Hoe verloopt het bevolkingsonderzoek?

De zwangere neemt zelf contact op met de verloskundig zorgverlener (VKZ). Tijdens het eerste consult geeft de VKZ voorlichting over het bevolkingsonderzoek en wordt - na toestemming van de zwangere vrouw - bloed afgenomen door de VKZ of een priklaboratorium. Het laboratorium screent het bloed op de bovengenoemde aandoeningen, voert bij een afwijkende uitslag confirmatietesten uit, verricht eventueel vervolgonderzoek, en stuurt de uitslagen naar de VKZ en RIVM-DVP (Dienst Vaccinvoorziening en Preventieprogramma’s, voorheen Regionale Coördinatie Programma’s). De verloskundig zorgverlener licht de zwangere in over de bloeduitslagen en draagt haar indien nodig over aan de tweedelijnszorg.

De uitslag bepaalt verdere acties. Een kind van een hepatitis B-positieve vrouw krijgt direct na de geboorte immunoglobuline (HBIg) en een eerste hepatitis B-vaccinatie toegediend. De toediening van het hepatitis B-vaccin vindt plaats in het kader van het Rijksvaccinatieprogramma.
Zwangeren met een afwijkende uitslag voor syfilis worden doorverwezen naar de tweede lijn. Zwangeren met een afwijkende uitslag voor hiv worden via de tweedelijn doorverwezen naar een behandelcentrum voor hiv/aids.
Bij RhD-negatieve zwangeren wordt bij een zwangerschapsduur van 27 weken een extra bloedonderzoek verricht op RhD-antigeen, RhD-antistoffen en andere (non-RhD-)IEA. Ook wordt een foetale RhD-typering verricht om de RhD-bloedgroep van het kind te bepalen. De RhD-negatieve vrouwen die zwanger zijn van een kind met bloedgroep RhD-positief, krijgen op twee momenten anti-RhD-immunoglobuline toegediend: in week 30 (zwangerschapsduur vanaf week 30+0 tot uiterlijk 31+6) en zo snel mogelijk na de bevalling (uiterlijk binnen 48 uur).
Het bloed van Rhc-negatieve zwangeren wordt bij een zwangerschapsduur van 27 weken nogmaals onderzocht op het Rhc-antigeen, op Rhc-antistoffen en op andere IEA.
Bij een afwijkende uitslag voor IEA, zowel in het eerste bloedonderzoek als later in de zwangerschap, wordt door middel van specificatieonderzoek het type IEA bepaald. De uitslag hiervan bepaalt de verdere acties. Bij zwangeren bij wie potentieel klinisch relevante IEA zijn aangetoond, wordt ook bloed van de biologische vader onderzocht. Afhankelijk van de uitslagen kan regelmatig vervolgonderzoek nodig zijn of verwijzing naar de tweede of derde lijn.

naar boven

Welke partijen zijn betrokken bij het bevolkingsonderzoek?

Het Centrum voor Bevolkingsonderzoek (CvB) van het RIVM regisseert het bevolkingsonderzoek PSIE in opdracht van het ministerie van VWS. Uitgangspunt is dat de PSIE effectief, doelmatig, betrouwbaar en landelijk uniform wordt uitgevoerd en aansluit op de zorg. RIVM-DVP (voorheen RIVM-RCP/IOD) en de regionale vestigingen (ook wel RIVM-regiokantoren genoemd) zijn verantwoordelijk voor de regionale coördinatie van de PSIE. RIVM-DVP registreert de gegevens van de zwangere en de bloeduitslagen en nemen eventuele vervolgacties op in het dossier. Zij bewaken de voortgang van eventuele vervolgacties voor zover deze onder het bevolkingsonderzoek PSIE vallen. Ook betalen zij de uitvoerende instanties, zoals de (gespecialiseerde) laboratoria voor de verrichte diagnostiek.
Bij de aansluiting op de zorg, bij het meten en toezicht houden op de kwaliteit, effectiviteit en uniformiteit, bij het monitoren en evalueren en bij voorlichting- en scholingsactiviteiten zijn diverse andere beroepsgroepen en organisaties betrokken.

Het Beleidskader Pre- en Neonatale Screeningen (RIVM, 2015) geeft een overzicht van de door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) vastgestelde wettelijke en beleidsmatige kaders voor deze screeningen, waaronder de PSIE. Het beschrijft ook de samenwerking van de partijen die betrokken zijn bij de voorbereiding van besluitvorming over en uitvoering van de pre- en neonatale screeningen. Het beleidskader geeft ook een overzicht van de kaders die van toepassing zijn bij de nadere uitwerking van de draaiboeken van de betreffende screeningen, waaronder de PSIE.

naar boven

Randvoorwaarden

Alle voor de gezondheidszorg geldende wetgeving zoals de WGBO, de wet BIG en de Wet Publieke Gezondheid zijn ook van toepassing op de PSIE. De PSIE is geen vergunningsplichtig onderzoek in de zin van de Wet op het bevolkingsonderzoek.
naar boven

Zoeken:

Service