Sinds de jaren '50 bestaat in Nederland een screeningsprogramma voor zwangere vrouwen. Aanvankelijk bestond de screening alleen uit het bepalen van de ABO-bloedgroep en het opsporen van syfilisinfecties. Streeklaboratoria voerden het screeningsprogramma uit, onder een contract met het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. In de loop der jaren wijzigde het screeningsprogramma ingrijpend, zowel wat betreft het aantal bepalingen als de organisatie.

Organisatorische wijzigingen

  • 1998: het screeningsprogramma wordt nu het overheidsprogramma Pre- en Postnatale Screening (PPS) onder aansturing van het CVZCollege voor Zorgverzekeringen (College voor Zorgverzekeringen). Laboratoriumbepalingen worden vrijgegeven voor uitvoering door elk medisch (microbiologisch of klinisch chemisch) laboratorium. De entadministraties verzorgen de regionale coördinatie.
  • 2006: de verantwoordelijkheid voor de landelijke regie van de PSIEBevolkingsonderzoek Prenatale Screening Infectieziekten en Erytrocytenimmunisatie wordt door CVZ overgedragen aan het Centrum voor Bevolkingsonderzoek (CvBCentrum voor Bevolkingsonderzoek ) van het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. De regionale coördinatie blijft bij de entadministraties.
  • 2008: de entadministraties en de Landelijke Vereniging van Entadministraties (LVELandelijke Vereniging van Entadministraties. Tegenwoordig RIVM-DVP ) maken vanaf 1 januari 2008 deel uit van het Centrum voor Infectieziektenbestrijding van het RIVM (RIVM/CIbCentrum Infectieziektebestrijding (onderdeel van het RIVM)) en heten vanaf nu RIVM-RCP. Dit staat voor: Regionale Coördinatie Programma’s.
  • 2014: de naam van RIVM-RCP verandert in RIVM-DVPDienst Vaccinvoorziening & Preventieprogramma’s . Dit staat voor: Dienst Vaccinvoorziening en Preventieprogramma’s

Inhoudelijke wijzigingen in het programma

  • 1969: toevoeging van de bepaling van het Rhesus D-antigeen en postpartum toediening van anti-RhD-Ig aan RhD-negatieve zwangere vrouwen met een RhD-positief kind.
  • 1989: toevoeging van de screening op hepatitis B-dragerschap
  • 1998: toevoeging van de bepaling van irregulaire erytrocytenantistoffen (IEAIrregulaire erytrocytenantistoffen ) bij RhD-negatieve zwangeren in week 30 van de zwangerschap én toediening van anti-RhD-Ig in week 30 van de zwangerschap aan Rhesus-D-negatieve vrouwen die nog geen levend kind hebben gebaard.
  • 2004: toevoeging van de bepaling van antistoffen tegen hiv
  • 2008: beperkende voorwaarde (alleen vrouwen zonder levendgeboren kind) voor toediening anti-RhD-Ig vervalt: álle RhD-negatieve zwangere vrouwen krijgen anti-RhD-Ig toegediend in week 30 van de zwangerschap.
  • 2011
    • Toevoeging bepaling Rhc-antigeen aan het eerste bloedonderzoek
    • Vervroeging van het tweede bloedonderzoek op IEA van 30 naar 27 weken
    • Naast RhD-negatieve zwangeren krijgen ook Rhc-negatieve zwangeren screening aangeboden op laat gevormde IEA in week 27
    • RhD-negatieve zwangeren krijgen in week 27 ook een foetale RhD-typering aangeboden
    • Selectieve antenatale toediening van anti-RhD-Ig in week 30 aan RhD-negatieve moeders die zwanger zijn van een RhD-positief kind.
  • 2013: de routinematige navelstrengbloedbepaling van kinderen van RhD-negatieve vrouwen komt te vervallen.